Planeet Zee

Het andere CO2-probleem

Dikketruiendag, een initiatief om de CO2-uitstoot en het energieverbruik terug te schroeven © LNE

Op Dikketruiendag zetten we met zijn allen de verwarming minder,  trekken we onze warmste truien aan en mogen we voor één keer rondspringen in het klaslokaal. Dit doen we niet zomaar. Op deze dag proberen we ons dagelijks energieverbruik en dus ook de CO2-uitstoot collectief te minderen.

Het is niet toevallig dat het Verdrag van Kyoto in 2005 rond deze datum in werking is getreden. Het Kyotoverdrag  regelt de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer zoals koolstofdioxide of koolzuurgas (CO2), methaan (CH4), en lachgas (N2O). Landen die het verdrag tekenen, beloven hun uitstoot te verminderen en te investeren in duurzame energiebronnen. Maar ook al doen de landen heel wat inspanningen om de verbranding van fossiele brandstoffen te beperken, in 2013 werd er een nieuwe recordhoeveelheid van 36 miljard ton CO2 uitgestoten in de atmosfeer.

Het CO2-gehalte in de atmosfeer is in de afgelopen eeuw van 293 ppm (delen per miljoen) met ongeveer 40% gestegen tot 400 ppm. Eén van de belangrijkste redenen waarom de wereld hierdoor niet in een hete woestijn is veranderd, is de oceaan. De oceaan en de atmosfeer wisselen continue koolstofdioxide uit, waarbij de oceaan heel wat CO2 opneemt.  De bufferende werking van de oceaan wordt echter overschreden door de grote hoeveelheid CO2 in de atmosfeer. Dit heeft geleid tot een verzuring van de oceaan, met alle gevolgen van dien. Oceaanverzuring wordt daarom ook wel  “het andere CO2-probleem” genoemd.