Planeet Zee

Alleen de ogen van deze gevaarlijke pieterman steken boven het zand uit. Op de rugvin en de kieuwdeksels heeft hij giftige stekels die een prooi onmiddellijk uitschakelen. (c) Kustfotografie/Decleer

Het grootste deel van de Noordzeebodem bestaat uit zand en slib (zie Lesmodule Strandmorfologie). In dit zand en slib leeft er een grote en diverse hoeveelheid bodemorganismen, het benthos, denk maar aan zeesterren, wormen, schelpen, slakken tot kreeftachtigen. Veel van deze dieren kunnen zich volledig of gedeeltelijk ingraven want in de bodem zijn ze beter beschermd tegen predatoren of kunnen ze net op de loer liggen om prooien van onder aan te vallen. Tot de bodemdieren behoren ook vissen. Platvissen zoals de tong en schol (of pladijs genoemd) liggen enigszins ingegraven. Ze zijn door hun uitstekende schutkleur moeilijk van de bodem te onderscheiden, sommige platvissen hun bovenzijde voelt zelfs aan als schuurpapier. Een platvis is zoals de naam al verraadt, zo plat als een pannenkoek. Ze hebben opmerkelijke lichaamsbouw waarbij één van de ogen ergens in de vroege levensstadia naar de andere zijde van lichaam migreert zodat hun beide ogen samen komen te staan. Tijdens deze metamorfose verandert de pigmentatie van de vis. De zijde die op de bodem rust verliest de kleur, terwijl de bovenkant het patroon van de zeebodem aanneemt.

De metamorfose van de vislarve van deze tongsoort (Solea senegalensis) vindt plaats wanneer hij tussen de 12 en 18 dagen oud is. Op 24 dagen oud staan de beide ogen aan één kant van het lichaam. (c) Yvette Wunderink, Universiteit van Cádiz

Sommige bodemdieren zoals de wormen en schelpdieren komen amper boven de grond en leven in gangenstelsels. Het lichaam van borstelwormen, zoals de zandzager en de zeepier - gekend van de opgerolde tandpastahoopjes op het strand-, bestaat uit verschillende ringen met pootjes of uitsteeksels waarmee ze zich voortbewegen en gangen graven. Zeepieren woelen dag in dag uit in de zeebodem. Door deze activiteit brengen ze ook voor de andere bodembewoners zuurstof en voedingsstoffen dieper in het zand en slik.  Ze voeden zich met micro-organismen en detritus deeltjes (dood organisch materiaal) die ze met gespecialiseerde waaiervormige kieuwen, borstels genoemd, uit het water en zand filteren.

De zeepier ( Arenicola marina) leeft in een U-vormige gang in het bovenste deel van de zandbodem (c) VLIZ/strandwerkgroep

Sommige wormen zijn dan weer actieve predatoren die andere wormen of schelpen uit hun veilige schuilplaatsen trekken. De schelpkokerworm of het goudkammetje beschermen zichzelf tegen predatoren onder de grond met een zelfgemaakt kokertje van aaneengeklitte zandkorrels. Hoe diep schelpen in de bodem zijn ingegraven, hangt vooral af van de lengte van hun sifon. Een sifon is een soort buis die dient als aan- en afvoerbuis van zeewater. De schelpdieren gebruiken de zuurstof die in het water zit, en ze filteren het plankton eruit. De sifon moet wel aan het oppervlak blijven uitsteken. Bekende schelpdieren zijn het nonnetje en de kokkel. Met de sifon kunnen ze ook de bodem afgrazen.

Met de sifon kan het nonnetje kleine algen uit het water filteren. (c) NIOZ